Maarten Hermans

Kanoslalom

De Eskimo’s zijn als eerste begonnen met kanoën. Zij maakte bootjes van zeehondenhuiden en hout. Zij kanoënde nog niet voor sport maar om op jacht te gaan naar walvissen en andere waterdieren. Als je in deze tijd kijkt zie je nog veel overeenkomsten met de Eskimo’s zoals eskimoteren, het bijna bevriezen in de winter en de gezichtsuitdrukking.

In 1922 begonnen Zwitserse skiërs met slalom in glasvezelboten  op wildwater. Zij waren ook de bittere kou gewend van het slalommen in de sneeuw. De palen die bij slalomskiën in de sneeuw staan bleven niet in het water staan en werden aan een lijn gehangen. Kanoslalom heeft vanaf die tijd een grotere revolutie meegemaakt. Tegenwoordig vaart iedereen in een koolstofboot die niet meer weegt dan 9 kilo. Er zijn verschillende categorieën. Zittend in boot (K1) met twee peddelbladen of op de knieën enkel (C1) of met zijn tweeën C2 met een peddelblad. De meeste wildwater wedstrijden worden tegenwoordig op kunstmatige banen gehouden. In Nederland hebben we sinds 2006 Dutch Water Dreams. Een kopie van de Olympische baan in Being.  Sinds 1972 is slalomvaren een Olympische sport.

Het reglement is nu anders dan in de tijd van de Eskimo’s. Je moet in een wedstrijd rond de 20 slalompoortjes varen waarvan je er 6 tegen de stroom in moet varen. Een wedstrijd bestaat uit twee runs van ieder ongeveer 110

Twee jaar geleden is het reglement aangepast om toch iets meer op slalom skiën te lijken, door het poortje te verbreden en soms zelfs maar een paal boven het water te laten hangen. Ik vraag me af wat er in de toekomst aangepast gaat worden om toch weer meer op de Eskimo’s te laten lijken.